De wijze waarop ouderen en zorgbehoevenden wonen, verandert ingrijpend. Ouderen dienen steeds langer thuis te blijven wonen. Er zijn appartementencomplexen die als minimale leeftijdsgrens 55 jaar hanteren, maar zijn woongebouwen hier wel op ingericht als het gaat om brandveiligheid in relatie tot deze doelgroep?
Als er al sprake is van verpleegzorg dan wordt steeds minder intramuraal georganiseerd en steeds vaker geleverd in reguliere woningen. Bewoners huren zelfstandig een appartement en kunnen zorg afnemen via een Volledig Pakket Thuis (VPT) of Modulair Pakket Thuis (MPT).
Deze ontwikkelingen roepen belangrijke vragen op over brandveiligheid. Wanneer is sprake van een woonfunctie en wanneer van een woonfunctie voor zorg? En wat betekent dat voor de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen?
We gaan als eerste in op de bestaande woongebouwen waar niet per se zorg geleverd wordt, de zogenaamde “Knarrenhoven” oftewel seniorencomplexen. Dit zijn woongebouwen waar alleen mensen vanaf 55 jaar of ouder mogen wonen. Deze woongebouwen kenmerken zich door een sterke onderlinge cohesie, men helpt elkaar waar nodig en kijken naar elkaar om. Maar zijn die gebouwen wel ingericht op dit type bewoners?
Risicoanalyse
- Langere ontruimingstijd
Ouderen zijn minder mobiel, hebben rollators of rolstoelen. - Toename van elektrische hulpmiddelen
- De WBDBO van bestaande woongebouwen kan 20 minuten zijn
- Langere loopafstanden op basis van niveau bestaande bouw Bbl
- Stand alone rookmelders in de appartementen.
Wat kunnen woningcorporaties doen?
Hoewel juridisch sprake is van een reguliere woonfunctie, vraagt de doelgroep mogelijk om bovenwettelijke aanvullende maatregelen om het risico tot een acceptabel niveau te brengen.
1. Bouwkundige maatregelen
- Verhogen en opwaarderen van de WBDBO van de brandscheidingen tussen woningen.
- Brandwerende zelfsluitende deuren door middel van vrijloopdeurdrangers
- Verkort de loopafstand naar 30 meter of zelfs korter
2. Installatietechnische maatregelen
- Aanleg brandmeldinstallatie met doormelding naar een PAC
- Aanleg noodverlichting
Strategische aanbeveling
Corporaties hoeven niet elk “Knarrenhof” formeel te transformeren naar een woonfunctie voor zorg, maar kunnen werken met:
- Risicogestuurde brandveiligheid
- Middelvoorschriften boven minimumniveau Bbl
- Doelgroepgerichte veiligheidsaanpak
De kernvraag is niet alleen: wat mag volgens het Bbl?
Maar vooral: wat is verantwoord gezien de mogelijk verminderde zelfredzaamheid?
Wonen met zorg in de praktijk
Er zijn naast bovengenoemde woongebouwen, ook woongebouwen waar wel zorg afgenomen kan worden door een in het gebouw aanwezige zorgorganisatie (VPT: Volledig Pakket Thuis en MPT: Modulair Pakket Thuis). Deze ontwikkeling roept fundamentele vragen op over brandveiligheid:
Vragen die hierbij spelen:
- Wanneer is er sprake van een woonfunctie voor zorg?
- Wat is het verschil tussen een zorgclusterwoning en andere woonfunctie voor zorg?
- Wanneer is er een georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg?
- Wie is verantwoordelijk voor brandveiligheid?
Definitie woonfunctie voor zorg
De definitie van woonfunctie voor zorg is de volgende: woonfunctie waarbij aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg (bijlage I Bbl).
Wanneer is sprake van een georganiseerde koppeling?
Er is sprake van een georganiseerde koppeling als:
- De woonfunctie specifiek bestemd is voor het verlenen van zorg.
- De zorgaanbieder (deels) verantwoordelijkheid overneemt voor brandveiligheid van cliënten.
- De bewoner juist vanwege het zorgaanbod in het complex gaat wonen.
De intentie en organisatie zijn dus doorslaggevend — niet alleen de aanwezigheid van zorg.
Praktijk versus theorie
In de praktijk ontstaan hier vaak discussie over, met name bij woongebouwen waar zorg wordt geleverd via VPT-constructies.
In de praktijk zien we regelmatig:
- Website woningcorporatie: “Regulier appartementencomplex, zorg optioneel.”
- Website zorgorganisatie: “Zelfstandig wonen met 24/7 zorg in nabijheid.”
Maar als zorg structureel is ingebed in het concept van het gebouw, kan de feitelijke situatie zwaarder wegen dan de marketingtekst.
Toch worden deze gebouwen vaak aangemerkt als reguliere woonfunctie onder het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Praktijkprobleem:
De appartementen beschikken uitsluitend over reguliere rookmelders. In de nacht is slechts beperkt personeel aanwezig. Bij brand worden BHV’ers niet automatisch gealarmeerd aangezien er conform het Bbl alleen stand alone rookmelders aanwezig zijn.
Het gevolg: onduidelijkheid over verantwoordelijkheden én een mogelijk verhoogd risico voor verminderd zelfredzame bewoners.
Systemische uitdaging
De verschuiving van intramurale zorg naar zelfstandig wonen met zorg brengt nieuwe brandveiligheidsvraagstukken met zich mee.
- Bewoners ervaren veiligheid omdat er zorg in huis is.
- Zorgmedewerkers voelen verantwoordelijkheid.
- Familieleden gaan ervan uit dat er toezicht is.
Maar technisch gezien:
- Is er vaak geen brandmeldinstallatie
- Is er geen ontruimingsplan inclusief procedures en protocollen
Dat is geen kwaadwillendheid. Dat is systeemlogica.
De woningcorporatie beheert woningen.
De zorgorganisatie levert zorg.
En niemand is integraal verantwoordelijk voor het brandveiligheidsniveau dat past bij verminderd zelfredzame bewoners.
De fundamentele vraag
De fundamentele vraag bij brand is simpel:
Wie redt wie? En ook: in welke mate hebben bewoners ondersteuning nodig bij de ontvluchting.
In een reguliere woonfunctie redt de bewoner zichzelf.
In een zorgfunctie redt de organisatie (gedeeltelijk) de bewoner.
Maar bij veel VPT-constructies bevinden we ons in een hybride model:
- Bewoners zijn niet volledig zelfredzaam
- Zorgmedewerkers zijn aanwezig
- Het gebouw is niet ontworpen als zorggebouw
Dat is een spanningsveld.
Risico in de praktijk
Wanneer ’s nachts een brand ontstaat in een appartement met alleen rookmelders, kan kostbare tijd verloren gaan. Het bij toeval ontdekken door het aanwezige zorgpersoneel mag geen veiligheidsstrategie zijn.
In discussies zien we vaak drie meningen:
- “Het is juridisch een woonfunctie, dus het voldoet.”
- “De zorg is thuiszorg, dus geen georganiseerde koppeling.”
- “Aanpassing is niet proportioneel.”
Maar proportionaliteit moet worden afgewogen tegen reëel risico, niet tegen papieren definities.
Conclusie
Het grootste risico bij wonen met zorg is niet onderregulering. Het is de versnipperde verantwoordelijkheid.
Brandveiligheid vraagt om integrale afspraken. Contractueel, organisatorisch en technisch.
Niet omdat het moet van de wet.
Maar omdat verminderd zelfredzame bewoners geen grijze gebieden verdragen.


