Luchtbehandeling

In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) zijn eisen opgenomen voor de ventilatie van gebouwen waar mensen verblijven. Voor de meeste gebruiksfuncties geldt dat een ventilatiesysteem aanwezig moet zijn om te zorgen voor een gezonde luchtkwaliteit.  

Ventilatiesystemen doorbreken regelmatig brandwerende scheidingen, wat risico’s kan opleveren voor branduitbreiding en rookverspreiding. Daarom worden er binnen het Bbl strikte eisen gesteld aan de uitvoering van deze installaties, waaronder: 

  • De keuze van materialen van kanalen (brandvoortplanting en/of brandwerendheid); 

Voor nieuw te bouwen bouwwerken wordt er veelal vereist dat deze ventilatiemogelijkheid mechanisch wordt uitgevoerd. Ook staan in het Bbl eisen aangaande brand– en rookvoortplanting en beperking van de ontwikkeling en uitbreiding van een brand. Het Bbl verwijst naar de volgende normen 

  • NEN 1087, Ventilatie van gebouwen 
  • NEN EN 13501-1, Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen 

Sturingen bij brand 

Bij een brandmelding is het wenselijk om de luchtbehandeling– en/ of het ventilatiesysteem te schakelen, om zo het gebouw zo lang mogelijk rookvrij te houden. Dit geldt over het algemeen niet voor een lokale afzuiginstallatie. Een lokale ventilatie-installatie is vaak aanwezig bij bijvoorbeeld een toiletgroep of bij een productiehal (dak ventilator). De meeste slachtoffers bij een brand worden veroorzaakt door de rook. Deze werkt desoriënterend en is vaak giftig. Het is daarom gebruikelijk dat bij een brandmelding een sturing van de ventilatie-installatie wordt verricht. Hierbij zijn verschillende mogelijkheden aanwezig: 

  • Het systeem wordt uitgeschakeld om rookverspreiding via de luchtkanalen te voorkomen; 
  • De ventilatie wordt opgevoerd naar 100% toe- en afvoer met uitgeschakelde recirculatie (met als doel rook af te voeren en herverdeling van rook door het gebouw te voorkomen).