Ontruimingsalarminstallatie

Wanneer in een gebouw een brandmeldinstallatie verplicht is vanuit de wet- en regelgeving, wordt hieraan de aanvullende eis worden gesteld dat er een ontruimingsalarminstallatie aanwezig moet zijn. De aanwezigheid en uitvoering van een ontruimingsalarminstallatie zijn afhankelijk van de gebruiksfunctie van het gebouw en de aanwezige personen binnen het gebouw. 

Een ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan de voorschriften van de NEN 2575, waarin de technische eisen, signaaltypes en activeringsmethoden zijn vastgelegd. Indien een brandmeldinstallatie over een inspectiecertificaat moet beschikken, geldt deze verplichting ook voor de ontruimingsalarminstallatie. Dit certificaat wordt afgegeven op basis van het CCV-inspectieschema. 

Doel en werking van een ontruimingsalarminstallatie 

Een ontruimingsalarminstallatie heeft als doel om een alarmsituatie kenbaar te maken aan personen binnen een gebouw, zodat zij zich op een veilige manier in veiligheid kunnen brengen. Dit kan nodig zijn bij een brand, gaslekkage, bommelding of andere noodsituaties. Afhankelijk van de aard van het gebouw en de aanwezige personen kan een luid of stil alarm worden toegepast: 

  • Luid alarm: Geeft een akoestisch signaal (zoals een ‘slow-whoop’) of een gesproken bericht (verschillende talen) waarmee alle aanwezigen worden gealarmeerd. Dit wordt vooral gebruikt in reguliere gebouwen waar mensen zelfstandig kunnen vluchten. 
  • Stil alarm: Wordt gebruikt in situaties waar paniek moet worden voorkomen, zoals in zorginstellingen of gebouwen met niet-zelfredzame personen. Alarm wordt verspreid via piepers, een DECT-systeem of een ander communicatiesysteem. 

Onderhoud en beheer 

Een ontruimingsalarminstallatie moet periodiek worden gecontroleerd en onderhouden volgens de normen van NEN 2575. Dit onderhoud is van cruciaal belang om een betrouwbare werking te garanderen. Gebruikers van een gebouw moeten regelmatig worden geïnstrueerd over de werking van het alarm en de bijbehorende ontruimingsprocedures.