De afgelopen jaren speelt er binnen zorginstellingen een vraag over wat er van een BHV’er verwacht moet worden bij een beginnende brand: moet de BHV’er eerst een bluspoging ondernemen of moet er direct gestart worden met de ontruiming van een gebouw(deel)?
Deze vraag leidt tot uiteenlopende meningen in de praktijk bij verschillende belanghebbenden zoals de zorginstellingen, BHV-opleiders, adviesbureaus en veiligheidsregio’s.
Wet- en regelgeving
Om deze vraag te beantwoorden is het belangrijk om de eerst naar de wettelijke vereisten te kijken, zowel vanuit de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving als het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is een werkgever verplicht om beleidsmatig doeltreffende maatregelen te treffen op het gebied van brandbestrijding en de evacuatie van de aanwezige personen (artikel 3 lid 1 sub e Arbeidsomstandighedenwet). Ten aanzien van de naleving van deze verplichtingen is een werkgever verplicht om zich te laten bijstaan door bedrijfshulpverleners (BHV’ers). Het beperken/bestrijden van brand en het in noodsituaties alarmeren en evacueren van de in het bedrijf aanwezige personen valt onder het verlenen van deze bijstand (artikel 15 lid 2 sub b en c Arbowet). In de Arbowet is daarnaast vastgelegd dat de BHV’ers zodanig in aantal en zodanig georganiseerd moeten zijn en over een zodanige opleiding en uitrusting moeten kunnen beschikken dat de wettelijke taken naar behoren uitgevoerd kunnen worden.
De genoemde wettelijke bepalingen betreffen doelvoorschriften waarbij er middelvoorschriften (concrete prestatie-eisen) ontbreken waarin precies aangegeven wordt op welke wijze er aan doelvoorschriften kan worden voldaan. Wat in ieder geval duidelijk naar voren komt is dat het wettelijk vereist is om de BHV’ers zodanig op te leiden dat deze in staat zijn om een poging te doen om een brand te kunnen bestrijden.
In het Bbl is vastgelegd dat een bouwwerk zodanige voorzieningen heeft voor de bestrijding van brand dat brand binnen een redelijke tijd bestreden kan worden. Afhankelijk van de aanwezige gebruiksfuncties en/of de gebruiksoppervlakte van deze gebruiksfuncties kunnen brandslanghaspels of draagbare blusmiddelen verplicht worden gesteld.
Vanuit het Bbl zijn mobiele blustoestellen alleen voor woonfuncties voor kamergewijze verhuur voorgeschreven. Hieraan wordt direct gedacht aan studentenhuisvesting, maar ook een groepszorgwoning is hier een voorbeeld van (verbijzondering van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur).
De algemene eis voor mobiele blustoestellen (in nagenoeg alle gebruiksfuncties) uit het Bouwbesluit 2012 is niet overgenomen in het Bbl. Het is de eigen verantwoordelijkheid van bijvoorbeeld zorginstellingen om te beoordelen of het nodig is om op grond van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E), verplicht vanuit artikel 5 Arbowet, dit soort blustoestellen te plaatsen.
Daarnaast is in het Bbl vastgelegd dat er binnen de gebouwen waarvoor de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie en/of het doen van een gebruiksmelding vereist is, voldoende personen aangewezen moeten zijn om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen. In het Bbl zijn geen wetsartikelen opgenomen over het al dan niet ondernemen van een bluspoging.
Integrale beschouwing van de situatie
Gezien het ontbreken van wetsartikelen welke het ondernemen van een bluspoging afdwingen kan worden geconcludeerd dat er geen eenduidig standpunt bestaat onder de belanghebbenden en dat er met regelmaat besluiten genomen worden op basis van persoonlijke opvattingen. Deze persoonlijke opvattingen kunnen ongenuanceerd zijn waarbij een stelling wordt genomen om in alle gevallen direct te beginnen met ontruimen. Een argument hiervoor is dat veilig ontruimen van de aanwezige personen prioriteit heeft en dat materiele schade een ondergeschikte rol speelt bij een brand. Ook gaat een bluspoging gepaard met risico’s voor de BHV’er(s), die niet altijd genomen willen worden.
Hiermee wordt echter geen recht gedaan aan de context van een beginnende brand binnen bijvoorbeeld een woonzorggebouw. In de onderstaande tabel worden verschillende variabelen genoemd en welke invloed deze variabelen kunnen hebben op het besluit om een beginnende brand wel of niet te blussen.
| Onderdeel | Voorbeeld |
| De grootte en aard van de brand | Afhankelijk van de grootte van de brand en de mate van rookontwikkeling kan per situatie beoordeeld worden of het ondernemen van een bluspoging mogelijk is zonder onaanvaardbare risico’s voor de BHV’er(s). Het beoordelen van de situatie om de juiste afweging te kunnen maken wordt door een groot aantal BHV-aanbieders standaard tijdens de lessen behandeld. Daarnaast is het afhankelijk van het gebruik van een ruimte of het verantwoord is om een bluspoging te ondernemen. Zo kan er bijvoorbeeld binnen een gebouw op voorhand afgesproken worden dat indien een brandmelding uit een risicovolle ruimte afkomstig is zoals een scootmobielstalling, er geen bluspoging wordt gedaan. |
| Binnen het gebouw aanwezige blusmiddelen in combinatie met training van de BHV’ers | Binnen de woonzorggebouwen dienen, afhankelijk van de subgebruiksfunctie en de risico’s op basis van een RI&E, verschillende blusmiddelen aanwezig te zijn welke aansluiten op de aanwezige soorten brandstoffen. Enkel de aanwezigheid van deze blusmiddelen is echter onvoldoende om vast te stellen of een bluspoging veilig uitgevoerd kan worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een situatie waarin een woonzorggebouw enkel van brandslanghaspels is voorzien, terwijl de BHV’ers alleen met draagbare blusmiddelen geoefend hebben. De praktijk heeft uitgewezen dat het doen van een bluspoging zonder ervaring te hebben met een specifiek type blusmiddel verstrekkende gevolgen kan hebben. In een dergelijke situatie is het aan te raden om geen bluspoging te ondernemen tot het moment dat de BHV’ers voldoende getraind zijn met brandslanghaspels. Alternatief hiervoor is uiteraard het bijplaatsen van draagbare blusmiddelen. |
| Het tijdstip van de brand | Een brand in de dagsituatie kan heel anders benaderd worden dan een brand in de nachtsituatie. Het is namelijk aannemelijk dat er in de dagsituatie meerdere BHV’ers aanwezig zijn en in de nachtsituatie alleen één BHV’er. Bij aanwezigheid van meerdere BHV’ers kan bij een beginnende brand (onder voorwaarden) een poging gedaan worden om de brand te blussen. In het geval dat er onverhoopt complicaties ontstaan kunnen de BHV’ers elkaar ondersteunen. In de nachtsituatie ligt dit anders. Indien de enige aanwezige BHV’er tijdens de bluspoging van een schijnbaar beheersbare brand zichzelf toch in gevaar brengt, zijn er geen andere BHV’ers welke dan ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast zullen de aanwezige bewoners/cliënten (welke mogelijk nog niet gealarmeerd zijn wegens de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie met stil alarm) ook voor langere tijd in het bedreigde gebied verblijven. Op basis van het bovenstaande is het denkbaar dat er in de dagsituatie andere uitgangspunten gehanteerd worden dan in de nachtsituatie. |
| De bewakingsomvang van de aanwezige brandmeldinstallatie | Of een BHV’er tijdig bij de brandruimte aanwezig is om een beginnende brand te kunnen blussen hangt gedeeltelijk af van de snelheid waarmee de BHV’er gealarmeerd wordt. Binnen een groepszorgwoning met een brandmeldinstallatie met volledige bewaking is de kans groter dat de BHV’er sneller ter plaatse is dan bij een zorgclusterwoning met gedeeltelijke bewaking. |
| Brandcompartimentering van het gebouw en de brandruimte | Indien een brandmelding afkomstig is vanuit een risicovolle ruimte, welke brandwerend is afgescheiden van de omliggende ruimten (en de vluchtroutes), kan een overweging gemaakt worden om daar geen bluspoging te ondernemen. De brand zal immers naar alle waarschijnlijkheid gezien de aanwezige inventaris niet meer blusbaar zijn én de brand zal voor een bepaalde tijd (20, 30 of 60 minuten) zich niet verder kunnen verspreiden. Het is dan ook goed denkbaar dat er verschillende uitgangspunten gehanteerd worden voor verschillende ruimten binnen één gebouw. |
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de risico’s welke gepaard gaan met het doen van een bluspoging afhankelijk zijn van de specifieke situatie binnen een gebouw. Binnen verschillende scenario’s is een bluspoging verantwoord en kan verstrekkende gevolgen voor de aanwezige personen voorkomen.
Opinie
Naar mijn mening moet elke zorgorganisatie op beleidsmatig niveau vastleggen welke keuze zij maakt, en in welke situatie, ten aanzien van het wel of niet ondernemen van een bluspoging van brand. Er dient rekening te worden gehouden met specifieke risico’s op elke locatie.
De beleidsuitgangspunten mogen vervolgens niet abstract blijven, maar moeten worden vertaald naar praktische richtlijnen op locatieniveau. Van groot belang is deze vast te leggen in onder andere het ontruimingsplan.
De training van BHV’ers moet aansluiten bij deze uitgangspunten. Dit voorkomt twijfel bij de BHV’ers zodat het handelen ten tijde van een brand overeenkomstig gesteld beleid ook in stressvolle situaties correct uitgevoerd kan worden.
Op deze manier ontstaat een eenduidige aanpak die aansluit bij de specifieke risico’s en omstandigheden van iedere locatie.


