Rook- en warmteafvoerinstallaties (RWA) kunnen een cruciale rol spelen op gebied van brandveiligheid binnen gebouwen. Sinds de jaren zestig, toen grote branden in onder meer de auto-industrie plaatsvonden, is duidelijk geworden dat rook de belangrijkste oorzaak is van desastreuze gevolgen bij brand met betrekking tot de veiligheid van personen.
De ontwikkeling van RWA-systemen is sindsdien doorgezet en vastgelegd in diverse normen, waaronder VdS‑2098, DIN 18.232, NBN S21‑208‑1 en de huidige Nederlandse NEN 6093:2022.
Wet- en regelgeving
Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gelden eisen voor onder andere de maximale omvang van brandcompartimenten en loopafstanden. De praktijk laat echter zien dat gebouwen hier niet altijd aan kunnen of dat normadressaten niet aan deze eisen willen voldoen.
Het is niet vereist om te voldoen aan de geldende middelvoorschriften, als er sprake is van een gelijkwaardige oplossing. Bij omgevingsvergunningsplichtige activiteiten moet gebruik worden gemaakt van artikel 4.7 Ow, bij meldingsplichtige activiteiten dient gebruik te worden gemaakt van artikel 2.4 Bbl.
RWA-systemen worden vaak toegepast als gelijkwaardige oplossing, bijvoorbeeld bij te grote compartimenten of te lange vluchtweglengtes. Alternatieven zoals sprinklers kunnen eveneens worden ingezet, maar RWA biedt specifieke voordelen voor overleefbaarheid door rook- en warmte beheersing en inzetbaarheid van de brandweer.
Doelen van een RWA
Een RWA-installatie kan voorzien in meerdere doelstellingen die bijdragen aan de veiligheid van personen en het beperken van schade:
- Vluchtwegbeveiliging: het creëren van een rookvrije zone zodat personen veilig kunnen vluchten;
- Ondersteuning van de brandweer: het mogelijk maken van een offensieve binnenaanval door rook en warmte tijdig af te voeren;
- Schadebeperking: het voorkomen van bezwijken van de dakconstructie door warmteafvoer;
- Invulling van het begrip ‘niet-besloten ruimte’: de ruimte moet gedurende 30–60 minuten bruikbaar blijven voor vluchten en inzet van hulpdiensten.
Werkingsprincipe en opbouw
Een RWA-installatie voert rook en warmte af via natuurlijke of mechanische voorzieningen. De basisgedachte is eenvoudig: “Rook en warmte moeten het gebouw uit via een eigen nooduitgang. Daarom: ventileren.”

Een RWA-installatie, zoals zichtbaar op de afbeelding, bestaat doorgaans uit:
- RWA‑units (natuurlijke of mechanische afvoer);
- Luchttoevoervoorzieningen;
- Rookschermen;
- Rookmelders en detectiezones;
- Besturingskast;
- Brandmeldinstallatie.
Dz Rooklaagdikte
Hrv Rookvrije hoogte
De NEN 6093 schrijft voor hoe de benodigde afvoer- en toevoercapaciteit moet worden berekend om een rookvrije zone te garanderen.
Toepassingsgebieden
RWA-systemen worden toegepast in uiteenlopende gebouwtypen, waaronder:
- atria in woon-, zorg- en onderwijsgebouwen;
- ziekenhuizen en kantoren;
- winkelcentra en passages;
- industriegebouwen met beperkte vuurbelasting;
- musea, stations en beursgebouwen;
- parkeergarages en tunnels.
Doelen binnen gebouwtypen kunnen eenzelfde zijn, maar kunnen ook afwijken. De doelen moeten voor elk gebouw worden/zijn opgenomen in PvE (Programma van Eisen).
Detectie en aansturing
Voor ontvluchting is rookdetectie conform NEN 2535 vereist, minimaal met de omvang ruimtebewaking. Voor ondersteuning van de brandweer gelden aanvullende eisen, zoals directe doormelding naar de regionale alarmcentrale en detectiezones die overeenkomen met rooksegmenten. Ook dit moet worden/zijn opgenomen in PvE.
Beheer, onderhoud en certificering
Goed beheer en onderhoud zijn essentieel voor de betrouwbaarheid van een RWA-installatie. Volgens NEN 2654‑3 moet de gebruiker onder andere controleren op bouwkundige wijzigingen, gewijzigde risico’s en de werking van handbediening. Benoemd moet worden dat deze norm geen wettelijke grondslag heeft.
Voor wettelijk verplichte rookbeheersingsinstallaties (vergund op basis van gelijkwaardigheid) geldt een jaarlijkse inspectiecertificering op basis van het CCV-inspectieschema. De geldigheidsduur van een certificaat is één jaar. Een Programma van Eisen (PvE) is in beginsel verplicht en moet worden ondertekend door de bevoegde autoriteit.
Bij bestaande installaties blijkt certificering vaak lastig, omdat oude systemen niet altijd volgens de toen geldende normen zijn geïnstalleerd, ook zijn deze veelal niet correct gedocumenteerd. De afwijkingen zijn vaak niet vastgelegd of zijn anders geïnterpreteerd dan nu gebruikelijk is. Mogelijke oplossingen zijn onder meer aanvullende berekeningen maken of extra luchttoevoer creëren, zodat alsnog aan de eisen voor een RWA-installatie kan worden voldaan. Een andere oplossing kan zijn om aanvullende brandwerende maatregelen te treffen waardoor deze RWA-installatie zou kunnen komen te vervallen.
Combinatieoplossingen

In atria kunnen aanvullende maatregelen worden toegepast om de RWA-installatie correct te kunnen laten functioneren, zoals:
- afrolbare rookschermen om de rookbuffer te vergroten;
- brandwerende glasdelen of zelfsluitende deuren om rookuitstroom te beperken;
- brandschermen of compartimentering van aangrenzende ruimten.
Deze maatregelen kunnen ertoe leiden dat het atrium als een fictieve lagere verdieping wordt beschouwd, waardoor minder de RWA-installatie kan voldoen aan de uitgangspunten die in het PvE zijn opgenomen.
Conclusie
Rook- en warmteafvoerinstallaties kunnen een essentieel onderdeel vormen van de brandveiligheidsstrategie in moderne maar ook gedateerde gebouwen. Ze ondersteunen veilige ontvluchting, maken inzet van de brandweer mogelijk en beperken schade aan constructies.
Door de combinatie van regelgeving, normen en technische oplossingen kunnen RWA-systemen effectief worden ingezet, met name in het kader van gelijkwaardigheid.
Benadrukt moet worden dat zorgvuldig ontwerp, beheer, onderhoud en certificering noodzakelijk zijn om de doelstellingen van rookbeheersing daadwerkelijk te realiseren. Dit moet eenduidig zijn opgenomen in PvE op basis waarvan certificering kan plaatsvinden.


