Centrale noodverlichtingsinstallatie

Een centrale noodverlichtingsinstallatie wordt gebruikt om noodverlichtingsarmaturen vanuit één centrale voedingsbron van stroom te voorzien. Dit type installatie is bijzonder geschikt voor grotere gebouwen waarin een betrouwbare en gecentraliseerde noodstroomvoorziening noodzakelijk is. 

Kenmerken van een centrale noodverlichtingsinstallatie 

Een centrale noodverlichtingsinstallatie beschikt over een eigen bekabeling en een onafhankelijke energievoorziening, waardoor het een volledig autonoom systeem is. Deze opzet zorgt ervoor dat het systeem ook bij een stroomuitval effectief blijft functioneren. De energievoorziening kan bestaan uit: 

  • Accubatterijen: Meestal met een spanning van 24 volt DC. Deze batterijen kunnen minimaal 60 minuten noodverlichting leveren. 
  • Noodstroomaggregaten (NSA): Een krachtbron die 230 V wisselspanning levert en geschikt is voor langdurige stroomuitval. 
  • Statische no-break systemen (UPS): Een oplossing voor kortdurende stroomuitval, waarbij een continu stroomaanbod gegarandeerd blijft. 
  • Warmtekrachtkoppeling (WKK): Een installatie die naast warmte ook elektriciteit kan leveren, geschikt voor duurzame toepassingen. 

Toepassing in combinatie met bestaande armaturen 

Een belangrijk voordeel van een centrale voeding met 230 V AC is dat de bestaande verlichtingsarmaturen in een gebouw kunnen worden gebruikt voor noodverlichting, mits deze armaturen voldoen aan de eisen van noodverlichting (indien deze wettelijk zijn vereist vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).  

Afweging centrale versus decentrale systemen 

Bij de keuze voor een centrale noodverlichtingsinstallatie is het belangrijk om af te wegen of dit systeem geschikt is voor het specifieke gebouw en de gebruiksfunctie. In sommige situaties kan een decentraal systeem (met afzonderlijke armaturen voorzien van ingebouwde batterijen) efficiënter of voordeliger zijn.  

Publiekrechtelijke eisen vanuit het Bbl 

De eisen die van toepassing zijn op de noodverlichting volgen vanuit het Bbl. Uit het middelvoorschrift met betrekking tot noodverlichting volgt dat (indien van toepassing) alle noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de hoofdvoorziening voor elektriciteit moet zijn geactiveerd en vervolgens gedurende ten minste 60 minuten aaneengesloten een verlichtingssterkte moet geven van ten minste 1 lux, gemeten op de vloer en het tredevlak.